Belichting

Om een goed belichte foto te maken moet de camera de juiste hoeveelheid licht verzamelen, niet overbelicht en niet onderbelicht. Hierbij spelen drie instellingen een samenhangende rol; diafragma, sluitertijd en ISO.

Diafragma (Aperture)

Diafragma is een van de factoren die bepalend is voor de hoeveelheid licht die op de sensor van de camera komt. Dit is de grootte van de lensopening en deze is instelbaar in stappen die F-stops worden genoemd. De grootst mogelijke opening wordt altijd op het objectief weergegeven om aan te duiden hoe lichtgevoelig het objectief is.

De stappen lopen van 1.4 tot 22 waarbij elke vorige stap de hoeveelheid licht verdubbeld en elke volgende stap de hoeveelheid licht halveert .
Daarnaast wordt met diafragma bepaald welk gedeelte van een foto scherp is, een klein gedeelte door een laag diafragma te kiezen (grote lensopening) of een veel groter gedeelte van de foto door een hoog diafragma te kiezen (kleine lensopening).
Voor landschapsfotografie zal in de meeste situaties een diafragma van f/8 of f/11 het beste resultaat opleveren.

Sluitertijd (Shutter speed)

De sluiter is het (metalen) gordijn dat voor de sensor hangt en ervoor zorgt dat er geen licht op die sensor valt. Op het moment dat het gordijn open gaat valt er licht op de sensor en wordt de feitelijke foto gemaakt. De tijd dat dit gordijn open is, is de sluitertijd.

De stappen lopen bij de meeste camera’s van 1/4000 seconde tot 20 seconden waarbij elke vorige stap de hoeveelheid licht halveert en elke volgende stap de hoeveelheid licht verdubbeld.
Hoe langer de sluiter open staat, hoe groter het risico dat beweging geregistreerd wordt. Dit is de bewegingsonscherpte door het onderwerp dat gefotografeerd wordt, of door het niet stil kunnen houden van de camera door de fotograaf zelf.
Als er bijvoorbeeld een dier in beeld is dan is de kans op een bewogen foto groot bij een lange sluitertijd omdat een dier nooit stil staat. Zijn er geen bewegende elementen in beeld dan kan zonder probleem voor een langere sluitertijd gekozen worden.
Wil je echter juist de beweging in de foto vastleggen, zoals bij een waterval of stromend beekje, kies dan voor een langere sluitertijd.
Wil je bijvoorbeeld een glad wateroppervlak hebben terwijl er wind is, kies dan voor een sluitertijd van bijvoorbeeld 4 seconden.

Maak bij landschapsfotografie daarom gebruik van een statief of leg je camera op een vaste ondergrond zoals een boomstronk. Hierdoor heb je veel meer speelruimte met de sluitertijden.

ISO

ISO bepaald de licht gevoeligheid van de sensor. Door het signaal van de sensor te versterken kan met minder licht een foto gemaakt worden, je maakt de sensor dus gevoeliger. De stappen bij de meeste camera’s zijn 100, 200, 400, 800, 1600, 3200, 6400 en soms nog hoger.
Hoe hoger de ISO waarde wordt, hoe sneller er ruis zal optreden. Wanneer die ruis storend wordt is afhankelijk van de camera die gebruikt wordt. De ISO heeft dus als enige van deze drie waarden direct een opvallende invloed op de kwaliteit van de foto, zeker in donkere omstandigheden.

ISO is eigenlijk de laatste instelling die je gebruikt om de belichting van een foto in te stellen en daarom begin je altijd zo laag mogelijk. Diafragma, sluitertijd en ISO zijn met elkaar verbonden als een driehoek die in balans moet zijn.

Een verandering van een van de drie waarden zal dus altijd gecorrigeerd moeten worden door een van de andere twee om een goede belichting van de foto te krijgen.

Tip: Zet je camera op Av- (of A-stand) om het diafragma in te stellen en de sluitertijd en ISO automatisch te laten bepalen. Op Tv- (of S-stand) kun je de sluitertijd instellen en worden diafragma en ISO automatisch bepaald. In de M- (of B-stand) bepaal je alles zelf.

Terug naar de cursus